Ook als het kind zelf over bepaalde inkomsten of bestaansmiddelen beschikt, kan het ten laste blijven van de aanvrager.
Als het kind over de volgende inkomsten of bestaansmiddelen beschikt, kan het nog steeds ten laste van de aanvrager zijn of blijven:
- een leefloon of evenwaardige maatschappelijke bijstand voor het kind dat samenwoont met de aanvrager,
- een studiebeurs,
- onderhoudsuitkering,
- inkomsten uit een toegelaten winstgevende activiteit,
- de vergoeding voor de eerste zes maanden van de vrijwillige militaire inzet (VMI),
- de onkostenvergoeding voor vrijwilligers,
- de vergoeding voor een vrijwillige dienst van collectief nut.
Art. 1, tweede lid, Wet gewaarborgde gezinsbijslag
Wet van 11 april 2003 tot instelling van een vrijwillige dienst van collectief nut
Wet van 3 juli 2005 betreffende de rechten van vrijwilligers