Artikel 51 § 4, 2de lid
De bevoegde minister kan inzake categorieën van behartenswaardige gevallen, na advies van het Beheerscomité van de FAMIFED bij ministeriële omzendbrief een algemene ministeriële afwijking toestaan op de vereiste band van verwantschap tussen rechtgevend kind en rechthebbende.
De afwijking geldt voor alle personen die deel uitmaken van de door de Minister aangeduide categorie.
Een volledig overzicht van de algemene ministeriële afwijkingen op basis van de AKBW is opgenomen in een ministeriële omzendbrief.
Artikel 52, 3de lid
In bepaalde categorieën van behartenswaardige gevallen, kan de bevoegde minister een algemene ministeriêle afwijking toestaan op het niet verschuldigd zijn van (Belgische) kinderbijslag voor kinderen die worden opgevoed of lessen volgen in het buitenland.
In volgende situaties werd een algemene afwijking ingesteld.
Voor kinderen die in België reeds een diploma secundair onderwijs verworven hebben en die niet hoger onderwijs volgen in een land buiten de Europese Economische Ruimte
Deze afwijking wordt beperkt tot maximum één schooljaar.
Deze algemene afwijking geldt niet voor landen waarmee België een bilaterale overeenkomst inzake sociale zekerheid heeft afgesloten met toekenning van een lager bedrag aan kinderbijslag dan voorzien in de AKBW, behalve indien deze bilaterale overeenkomst niet van toepassing.
Het betreft de volgende landen : Turkije, Marokko, Tunesië, Marokko, Algerije, Kroatië, de Federale Republiek Joegoslavië, Macedonië of Bosnië-Herzegovina
- De kinderen blijven ingeschreven in de bevolkingsregisters of in de vreemdelingenregisters gehouden in de gemeenten in België en hebben er hun hoofdverblijfplaats in de zin van artikel 3, eerste lid,5° van de wet van 8 août 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen.
- De kinderen hebben geen ander recht op kinderbijslag in de Kinderbijslagwet werknemers, het koninklijk besluit van 8 april 1976 houdende regeling van de gezinsbijslag voor de zelfstandigen, het koninklijk besluit van 26 maart 1965 betreffende de kinderbijslag voor bepaalde categorieën van door de Staat bezoldigd personeel, alsmede voor de personeelsleden van het operationeel kader en van het administratief en logistiek kader van de korpsen van de lokale politie, de internationale overeenkomsten van de sociale zekerheid van kracht in België buitenlandse wets-of reglementsbepalingen of regelen van toepassing op het personeel van een volkenrechtelijke instelling.
- Noch hun vader, noch hun moeder, stiefvader, stiefmoeder of persoon waarmee hun vader of moeder een feitelijk gezin vormt, oefent een winstgevende activiteit uit in het raam van een arbeidsovereenkomst of van een zelfstandige activiteit of in opdracht van een openbare dienst in het land waar ze onderwijs volgen.
Deze algemene ministeriële afwijking kan worden toegepast :
- op vraag van de bijslagtrekkende of van de rechthebbende aangeduid via deze algemene afwijkingen;
- telkens wanneer de kinderbijslaginstelling op een andere manier een dergelijk geval vaststelt.
Voor kinderen die noch in België noch in het buitenland reeds een einddiploma hoger onderwijs verworven hebben en die hoger onderwijs volgen in een land buiten de Europese Economische Ruimte
Deze algemene afwijking geldt niet voor landen waarmee België een bilaterale overeenkomst inzake sociale zekerheid heeft afgesloten met toekenning van een lager bedrag aan kinderbijslag dan voorzien in de KBW, behalve indien deze bilaterale overeenkomst niet van toepassing.
Het betreft de volgende landen : Turkije, Marokko, Tunesië, Marokko, Algerije, Kroatië, de Federale Republiek Joegoslavië, Macedonië of Bosnië-Herzegovina
- De kinderen blijven ingeschreven in de bevolkingsregisters of in de vreemdelingenregisters gehouden in de gemeenten in België en hebben er hun hoofdverblijfplaats in de zin van artikel 3, eerste lid,5° van de wet van 8 août 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen.
- De kinderen hebben geen ander recht op kinderbijslag in de Kinderbijslagwet werknemers, het koninklijk besluit van 8 april 1976 houdende regeling van de gezinsbijslag voor de zelfstandigen, het koninklijk besluit van 26 maart 1965 betreffende de kinderbijslag voor bepaalde categorieën van door de Staat bezoldigd personeel, alsmede voor de personeelsleden van het operationeel kader en van het administratief en logistiek kader van de korpsen van de lokale politie, de internationale overeenkomsten van de sociale zekerheid van kracht in België buitenlandse wets-of reglementsbepalingen of regelen van toepassing op het personeel van een volkenrechtelijke instelling.
- Noch hun vader, noch hun moeder, stiefvader, stiefmoeder of persoon waarmee hun vader of moeder een feitelijk gezin vormt, oefent een winstgevende activiteit uit in het raam van een arbeidsovereenkomst of van een zelfstandige activiteit of in opdracht van een openbare dienst in het land waar ze onderwijs volgen.
Deze algemene ministeriële afwijking kan worden toegepast :
- op vraag van de bijslagtrekkende of van de rechthebbende aangeduid via deze algemene afwijkingen;
- telkens wanneer de kinderbijslaginstelling op een andere manier een dergelijk geval vaststelt.
Voor kinderen die in België of in het buitenland reeds een einddiploma hoger onderwijs verworven hebben en die hoger onderwijs volgen in een land buiten de Europese Economische Ruimte
Deze afwijking wordt beperkt tot maximum één schooljaar.
Deze algemene afwijking geldt niet voor landen waarmee België een bilaterale overeenkomst inzake sociale zekerheid heeft afgesloten met toekenning van een lager bedrag aan kinderbijslag dan voorzien in de KBW, behalve indien deze bilaterale overeenkomst niet van toepassing.
Het betreft de volgende landen : Turkije, Marokko, Tunesië, Marokko, Algerije, Kroatië, de Federale Republiek Joegoslavië, Macedonië of Bosnië-Herzegovina
- De kinderen blijven ingeschreven in de bevolkingsregisters of in de vreemdelingenregisters gehouden in de gemeenten in België en hebben er hun hoofdverblijfplaats in de zin van artikel 3, eerste lid,5° van de wet van 8 août 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen.
- De kinderen hebben geen ander recht op kinderbijslag in de Kinderbijslagwet werknemers, het koninklijk besluit van 8 april 1976 houdende regeling van de gezinsbijslag voor de zelfstandigen, het koninklijk besluit van 26 maart 1965 betreffende de kinderbijslag voor bepaalde categorieën van door de Staat bezoldigd personeel, alsmede voor de personeelsleden van het operationeel kader en van het administratief en logistiek kader van de korpsen van de lokale politie, de internationale overeenkomsten van de sociale zekerheid van kracht in België buitenlandse wets-of reglementsbepalingen of regelen van toepassing op het personeel van een volkenrechtelijke instelling.
- Noch hun vader, noch hun moeder, stiefvader, stiefmoeder of persoon waarmee hun vader of moeder een feitelijk gezin vormt, oefent een winstgevende activiteit uit in het raam van een arbeidsovereenkomst of van een zelfstandige activiteit of in opdracht van een openbare dienst in het land waar ze onderwijs volgen.
Deze algemene ministeriële afwijking kan worden toegepast :
- op vraag van de bijslagtrekkende of van de rechthebbende aangeduid via deze algemene afwijkingen;
- telkens wanneer de kinderbijslaginstelling op een andere manier een dergelijk geval vaststelt.
Voor kinderen die tijdelijk buiten België verblijven maar gewoonlijk bij hun ouders wonen
Voor kinderen die normaal met hun ouders in België wonen en die alleen tijdens de schoolvakanties een tijd in het buitenland verblijven
Voor kinderen die normaal bij hun ouders in België wonen en een over de grens gelegen school bezoeken, voor zover zij elke dag bij hun ouders of bij de personen die hen vervangen, terugkeren
Voor kinderen die een studiebeurs genieten voor het volgen van lessen in het buitenland
Voor kinderen die in het buitenland geboren worden, terwijl de ouders normaal in België verblijven, op voorwaarde dat het verblijf van de moeder en van het kind in het buitenland geen 2 maanden overschrijdt
Er is recht op kinderbijslag en op kraamgeld.
Voor kinderen van werknemers die door hun werkgever naar het buitenland worden gedetacheerd
MO 312 beoogt de situatie waarin de gezinsleden van de werknemer (meer bepaald de kinderen) de werknemer vergezellen naar het land van detachering.
MO 312 geldt ook voor de tijdens de periode van detachering in het gezin geboren kinderen.
De duur van de algemene Ministeriële afwijking varieert naargelang het een detachering:
- op het grondgebied van een lidstaat van de Europese Economische Ruimte (EER);
- op het grondgebied van een land waarmee België een Bilaterale overeenkomst inzake Sociale Zekerheid heeft gesloten;
- of op het grondgebied van een land (buiten de EER) waarmee België geen overeenkomst inzake sociale zekerheid heeft gesloten betreft.
Voor ontvoerde kinderen
Artikel 57bis, 3de lid
In bepaalde categorieën van behartenswaardige gevallen kan de bevoegde minister een algemene ministeriële afwijking toestaan op de voorwaarde rechthebbende te zijn op minstens
6 maandelijkse forfaitaire bijslagen in het jaar voorafgaand aan de gebeurtenis.
Verlaten echtgen(o)ot(e)
Arbeidsongeschikte werknemer
Wezenbijslag
Rechthebbende op een overlevingspensioen
Gedetineerde werknemer
Werknemer met vervroegd pensioen RTBF
Werknemer met een toelage betreffende een verlof ter voorbereiding van de opruststelling ten laste van de NMBS
Gepensioneerde werknemer
In deze situaties werd dus bij ministeriële omzendbrief een algemene minis teriële afwijking op basis van artikel 57, bis 3de lid AKBW ingesteld.
Recht op kinderbijslag:
- indien een werknemer aanspraak kan maken op minstens vierentwintig
maandelijkse forfaitaire bijslagen in de Kinderbijslagwet werknemers in de loop van de vijf jaar voorafgaand aan: - de verlating door de echtgenoot,
- de arbeidsongeschiktheid van de werknemer,
- het overlijden van een ouder van een kind,
- het overlijden van de persoon die het recht op overlevingspensioen van de o verlevende echtgenoot opent,
- de detinering van een werknemer,
- het recht op een vervroegd pensioen van de RTBF,
- een toelage betreffende een verlof ter voorbereiding van de opruststelling ten laste van de NMBS of
- de pensionering van een werknemer;
- en er voor de rechtgevende kinderen geen ander recht op kinderbijslag b estaat krachtens de Kinderbijslagreglementering voor werknemers, het koninklijk besluit van 8 april 1976 houdende regeling van de gezinsbijslag ten voordele va n de zelfstandigen, het koninklijk besluit van 26 maart 1965 betreffende de kinderbijslag voor bepaalde categorieën van het door de Staat bezoldigd personeel alsmede voor de personeelsleden van het operationeel kader en van het administratief en logistiek kader van de korpsen van de lokale politie, de internationale overeenkomsten van de sociale zekerheid van kracht in België, buitenlandse wets-en reglementsbepalingen of regelingen van toepassing op het personeel van een volkenrechtelijke instelling;
- op vraag van de bijslagtrekkende of de rechthebbende aangeduid via deze algemene ministeriële afwijkingen, of telkens wanneer de kinderbijslaginstelling op een andere manier een dergelijk geval vaststelt.
Bij samenloop van verschillende rechten op gezinsbijslag die residuair zijn, op basis van de Kinderbijslagwet werknemers en van een algemene ministeriële afwijking van de Kinderbijslagwet werknemers, moet naar analogie art. 64 § 2bis Kinderbijslagwet werknemers worden toegepast.
Artikel 73ter, 3de lid
In bepaalde categorieën van behartenswaardige gevallen kan de bevoegde minister een algemene Ministeriële afwijking toestaan als alle voorwaarden tot toekenning van kraamgeld overeenkomstig artikel 73 bis Kinderbijslagwet werknemers niet vervuld zijn.
Éen van de ouders minstens 480 dagen een beroepsactiviteit heeft uitgeoefend met onderworpenheid aan de Belgische sociale zekerheid voor werknemers, tijdens een periode van vijf jaar die voorafgaat aan de geboorte van het kind.
De moeder van het kind op het ogenblik van de geboorte ingeschreven is in de Belgische bevolkingsregisters of vreemdelingenregisters en in België haar hoofdverblijfplaats heeft, in de zin van art. 3, eerste lid, 5° van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van het Rijksregister.
Er bovendien geen recht op kraamgeld bestaat in een andere Belgische of buitenlandse regeling
Toepassing :
- op vraag van één van de ouders;
- telkens wanneer een kinderbijslaginstelling op een andere manier een dergelijk geval vaststelt
Recht op kraamgeld, indien er op de dag van de geboorte geen werkelijke arb eidsdag of ermee gelijkgestelde dag is, op voorwaarde dat de voor de geboorte gelegen periode zonder arbeidsdagen (of daarmee gelijkgestelde dagen) ten hoo gste 30 dagen bedraagt
Recht op kraamgeld en kinderbijslag voor kinderen die in het buitenland worden geboren, terwijl de ouders normaal in België wonen, op voorwaarde dat het verblijf van de moeder en het kind in het buitenland geen twee maanden te boven gaat
Recht op kraamgeld voor kinderen van werknemers van Belgische nationaliteit die door hun werkgever naar het buitenland worden gedetacheerd
MO 312 beoogt de situatie waarin de gezinsleden van de werknemer (meer bepaald de kinderen) de werknemer vergezellen naar het land van detachering.
MO 312 geldt ook voor de tijdens de periode van detachering in het gezin geboren kinderen.
De duur van de algemene Ministeriële afwijking varieert naargelang het een detachering:
-op het grondgebied van een lidstaat van de Europese Economische Ruimte; (EER)
-op het grondgebied van een land waarmee België een Bilaterale overeenkomst inzake Sociale Zekerheid heeft gesloten;
- of op het grondgebied van een land (buiten de EER) waarmee België geen overeenkomst inzake sociale zekerheid heeft gesloten betreft.
Recht op kraamgeld voor het kind dat deel uitmaakt van het gezin van een w erknemer, op voorwaarde dat er een overeenkomst, die de pleegvoogdij tot stand brengt, verleden is binnen het jaar dat volgt op de geboorte van het betrokken kind, welke de wil van de rechthebbende of zijn echtgenoot uitdrukt om dit kind onder pleegvoogdij te nemen en op de datum van de ondertekening van deze overeenkomst, de pleegvoogd of zijn echtgenoot de voorwaarden vervult om recht te doen ontstaan op kinderbijslag, behalve deze bedoeld in artikel 51 § 3 AKBW
Artikel 73 quater, 3de lid
In bepaalde categorieën van behartenswaardige gevallen kan de bevoegde minister een algemene Ministeriële afwijking toestaan als alle voorwaarden tot toekenning van een adoptiepremie overeenkomstig artikel 73 quater AKBW niet vervuld zijn.
In de Ministeriële Omzendbrief (MO) 599 van 16 juli 2007 wordt als algemene ministeriële afwijking een adoptiepremie toegekend indien:
- de adoptant of zijn huwelijkspartner minstens 480 dagen een beroepsactiviteit heeft uitgeoefend met onderworpenheid aan de Belgische sociale zekerheid voor werknemers, tijdens een periode van vijf jaar die voorafgaat aan de adoptie van het kind
- en de adoptant op het ogenblik van de adoptie ingeschreven is in de Belgische bevolkingsregisters of vreemdelingenregisters en in België zijn hoofdverblijfplaats heeft, in de zin van art. 3, eerste lid 5° van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van het Rijksregister
- en er bovendien geen recht op een adoptiepremie bestaat in een andere Belgische of buitenlandse regeling
Toepassing:
- op vraag van de adoptant of zijn echtgeno(o)t(e)
- telkens wanneer een kinderbijslaginstelling op een nadere manier een dergelijk geval vaststelt.